Main menu:
Je hebt besloten om met modelbouw te beginnen? Zeer goed idee! Het is een hobby waar je heel veel voldoening uit kan halen en de camaraderie tussen de clubgenoten van Royal Broken Wings is ongeëvenaard....
Natuurlijk zit je met veel vragen over het materiaal dat je best aankoopt dus bekijken we het probleem stap voor stap.
Het toestel
Iedereen heeft wel een bepaald toestel waar hij dol op is, een straaljager, een Mustang, een Red Bull Air Race Extra... en die willen we wel eens bouwen. DOE DIT NIET!! Deze toestellen vergen heel wat pilotenkunst om goed te vliegen en zijn meestal ook veel te snel voor iemand die net begint. Je leert toch ook niet rijden met een Porsche of Ferrari?
Aan welke eisen moet een beginnerstoestel voldoen?
1. langzaam vliegen:
hoe langzamer het toestel kan vliegen zonder overtrokken te raken (d.i. de minimumsnelheid waarbij het toestel nog vliegt) hoe beter omdat de piloot dan meer tijd krijgt om na te denken over de stuurbewegingen die hij moet uitvoeren. Dit is het voornaamste nadeel van de snellere toestellen die een hogere snelheid nodig hebben om niet 'uit de lucht' te vallen.
2. stabiel zijn:
het toestel dient bij voorkeur zonder stuurbewegingen langzaam zelf uit een duikvlucht te komen en zijn vleugels weer plat te leggen. De types die hieraan voldoen zijn hoogdekkers (de vleugel bovenop de romp) en vleugels met veel v-stelling (beide vleugels maken een hoek als je ze in vooraanzicht bekijkt).
3. stevig en eenvoudig te repareren:
Draai het en keer het zoals je wil, vroeg of laat maak je wel eens een fout in het leerproces en dan raakt je geliefde vliegtuig beschadigd. Het dient dus gemakkellijk repareerbaar te zijn zodat je geen weken verliest met de herstelling en niet meer kunt vliegen. Dit maakt dat trainingstoestellen er allemaal een beetje hetzelfde uitzien, een vierkante romp met rechthoekige vleugels erop. Ik weet het, het ziet er allemaal niet zo mooi uit maar je eerste toestel moet je beschouwen als een leerhulpmiddel dat meer praktisch dan mooi moet zijn.
4. zo groot mogelijk:
Hier zitten we met een dilemma: grotere toestellen zijn duurder dan kleinere maar ze vliegen gewoon beter en ze zijn ook een pak beter zichtbaar in de lucht. De kleinere zijn meestal nerveuser en minder zichtbaar. Je moet toch uitgaan dat de praktische grens van een toestel ligt tussen de 1,40 m en de 2 m. Kleiner mag je echt niet gaan en groter is niet meer praktisch.
De 'normale' waarde ligt meestal rond de 1,60 m met een 7,5 cc motor. Dit heeft zich in de praktijk al honderden keren bewezen.
5. ARF (Almost Ready to Fly):
Vroeger moesten de modellen van naaldje tot draadje zelf gebouwd worden. Dit had als voordeel dat je er alles van kende hetgeen de reparaties makkelijker maakte maar er kroop veel tijd in en je moest toch wel enigermate handig zijn. Nu met de Aziatische producten echter kan je veel sneller de lucht in zijn en al je training beginnen terwijl je op je gemak een tweede toestel bouwt dat dan klaar is als je vorderingen voorbij de capaciteiten van je eerste toestel zijn gegaan.
Vergis je echter niet, met de meeste 'beginners' toestellen, desondanks dat ze traag en stabiel vliegen, kun je al een aantal acrobatiefiguren uitvoeren. Zij zijn dus zeker niet allen geschikt om kalm rondjes mee te draaien maar je kan er makkelijk loopings, rollen en rugvlucht mee oefenen. Je kan je eerste toestel dus een tijdje bijhouden tot je het van binnen en van buiten kent en er zogezegd mee kunt lezen en schrijven en dan kan je zonder veel risico overgaan op een gevorderd toestel. Meestal is dit dan een laagvleugel met een staartwiel en dat vergt toch al een andere techniek dan een trainer.
Voorbeeldtoestellen:
Kyosho Calmato:
zeer goed toestel,
alleen de bekleding
durft wel eens loslaten
Seagull Arising Star:
goedkoop toestel,
vliegt echter perfect als je het
landingsgestel wat anders plooit
Graupner Taxi:
vliegt al wat sneller maar nog altijd als een trainer.
Het is ook wat duurder dan de andere
(Duits produkt tegenover de Aziaten).
De motor
Motoren voor modelbouwvliegtuigen bestaan in vier verschillende soorten:
" tweetakt methanol
" viertakt methanol
" tweetakt benzine
" turbines
De tweetakt benzine motoren vergeten we al direct voor mensen die hun eerste toestel bouwen: ze zijn te groot, te krachtig en totaal niet geschikt om op een trainer te zetten. Ze worden dan ook gebruikt voor grote acrobatietoestellen of slepers voor zwevers waar veel kracht nodig is.
Hetzelfde geldt voor de turbines, die worden in straaljagers gemonteerd en zeker niet op een eerste toestel. Bovendien swingt de investering hier ook de pan uit....
Blijven nog de methanol motoren over, de tweetakt en de viertakt.
Beiden hebben voor- en nadelen:
De tweetakt is licht, krachtig maar maakt iets meer geluid (niet zozeer luider maar doordat hij op hogere toeren draait wordt dit als storender ervaren)
De viertakt is wat zwaarder, met eenzelfde cylinderinhoud wat minder krachtig en ook wat duurder.
Bovendien kan er meer in stuk gaan omdat er meer bewegende delen inzitten. Bij bepaalde clubs mag je enkel met viertakt motoren vliegen omdat ze een lager gebrom veroorzaken en dus stiller overkomen.
De keuze van je motor zal dus bepaald worden door de club waar je vliegt en het toestel dat je gekozen hebt.
In ons geval zitten we rond de 7,5 cc inhoud maar je kan ook een iets grotere motor steken die je voor de eerste vluchten dan zijn volle vermogen niet laat halen. Zo vlieg je toch traag en de motor is perfect te gebruiken als je al meer gevorderd bent en wat meer kracht kan gebruiken.
Al deze motoren hebben een efficiente geluidsdemper inbegrepen en staat de regelnaald achteraan hetgeen een niet te verwaarlozen bijkomende veiligheid is.
Voorbeelden zijn:
OS .46 FX
OS .55 AX
OS .56 FS
Saito FA .56
De besturing:
Dit kan kort gehouden worden: als je bij de gerenommeerde merken blijft zijn er geen slechte besturingen meer.
Binnen Royal Broken Wings vliegen de meeste mensen met Futaba maar dat wil niet zeggen dat Graupner/JR, Multiplex of Hitec slecht zijn, je zal alleen de instelling meer zelf moeten uitzoeken terwijl met Futaba iedereen je kan helpen.
In de modelbouw is er net een grote evolutie geweest in de besturingen. Waar vroeger uitgezonden werd op FM met de 35 mHz frequentie, wordt er nu volop gebruik gemaakt van de 2,4 gHz technologie die we ook terugvinden in routers voor pc e.d.
Als je een nieuwe zender aanschaft zal die nu altijd van die nieuwe technologie gebruik maken.
Tweedehandsmateriaal kan je nu zeer goedkoop vinden omdat die nog met 35 mHz werken.
Wat moet je nu kiezen? Het hangt er wat vanaf: vroeger was de 35 mHz wat storingsgevoeliger en moest iedereen een vaste frequentie hebben om storingen te vermijden. Indien iedereen zich echter aan bepaalde regels houdt (je zender niet opzetten als je frequentiespeld niet beschikbaar is) gebeuren hier weinig of geen ongelukken mee. De meeste mensen bij ons vliegen al jaren tot volle tevredenheid en zonder problemen op deze band. Bovendien komen er steeds minder piloten op deze band te zitten omdat zij stilletjes aan overstappen naar de 2,4 gHz. Het risico verkleint dus steeds.
Waarom dan toch overstappen?
2,4 gHz werkt niet met een bepaalde frequentie maar 'hopt' tussen verschillende frequenties op de band. Indien hij een storing constateert wordt er naar een volgende frequentie gesprongen waar normaal gezien geen storing opzit. Hoe maakt de ontvanger dan het onderscheid tussen 'zijn' zender en al de anderen? Bij het eerste gebruik van de ontvanger ga je de zender 'binden' aan die ontvanger (moet slechts eenmaal gebeuren) en vanaf dan praat de zender perfect met jouw ontvanger.
Wat moet je nu kiezen?
Indien je alles nieuw koopt, ga je best voor de 2,4 gHz want je zal bijna niets anders vinden.
Indien je echter met een budget rekening moet houden, kan je perfect een tweedehands zenderset op de 35 mHz kopen die je nog jaren goede service zal leveren.
Welke zender je koopt hangt ook van je budget af, je kan een zeer goede set aanschaffen voor 160 € maar je kan ook meer dan 1000 € uitgeven. Weet echter wel dat je zender normaal gezien jaren meegaat en een kleine meerinvestering nu maakt dat je jaren plezier van je materiaal zal hebben.
Wij raden aan van minstens voor een computerzender van 6 kanalen te gaan zodat je toch wat uitbreidingsmogelijkheden later hebt (intrekbaar landingsgestel enz.)
Voorbeelden:
35 mHz
Futaba T6 EX
Futaba FF-8
Futaba FF-9
2,4 gHz
Futaba T6 EX
Futaba T7C
Futaba T8FG
Futaba T10CG
Toebehoren:
Nu je een toestel hebt, een motor die erbij hoort en een zender om alles te bedienen heb je toch nog wat kleinigheden nodig:
Om te bouwen:
Epoxy lijm
Scherp X-Acto mes
Platte bouwtafel
Schroevendraaier
Tang
Klemmen
Om te vliegen:
Schroef aangepast aan de motor (meestal een APC)
Batterij en klem voor de glowplug (gloeibougie)
Benzine (methanol, olie en wat nitromethaan 2-3%)
Rubber vinger ter bescherming van je vinger bij het starten
Hand- of electrisch pompje om te tanken
Budget:
Dit is zeer persoonlijk en afhankelijk van het materiaal dat je aanschaft maar je kan een volledige beginnersset kopen voor een 500 Euro (vliegtuig, motor en besturing)
Dan heb je degelijk materiaal waar je een aantal jaar mee verder kan.
Simulators:
Indien je de investering overweegt, zeker doen! Het spaart je zeker een hoop frustratie uit, vooral in de beginfase waar je nog niet goed weet wanneer je wat moet sturen. Indien het toestel van je wegvliegt valt het nog wel mee maar als het naar je toekomt en je wil naar rechts, moet ik dan links sturen?
Een simulator helpt je hier fel bij en bovendien zijn de crashes niet zo kostbaar.
Met de meeste simulators kan je met je eigen zender vliegen dus dat helpt al met het verkrijgen van het juiste gevoel aan de sticks. Let wel, dit is geen vrijgeleide om het maar alleen te gaan proberen, een simulator blijft altijd anders vliegen dan je eigen toestel, desondanks de beweringen van de fabrikanten dat alles perfect instelbaar is. Dat is het wel, maar toch maar tot op een zekere hoogte.
Goede simulators zijn:
Great Planes Real Flight
Ikarus Aerofly
Phoenix
Manier van lesgeven:
De 'oude' manier:
Bij de eerste lessen kwam de instructeur achter de leerling staan en nam dan mee de knuppels van de zender vast. De leerling kon nu sturen maar de instructeur had de mogelijkheid om 'mee' te sturen en als dusdanig in te grijpen als het fout ging. Bij het opstijgen en de landing had de instructeur de zender alleen vast.
Nadien, als de leerling al wat gevorderd was, steeg de instructeur op en eens op veilige hoogte aangekomen, gaf hij de zender over aan de leerling die zijn oefeningen afwerkte. Indien er iets fout ging griste de instructeur de zender terug en trok de situatie weer recht. Dat dit soms tot te late interventies leidde hoeft geen betoog. Bovendien is dit tijdens de vlucht nog uitvoerbaar omdat je dan het voordeel van hoogte hebt maar bij het oefenen van de landing bijvoorbeeld kom je als instructeur steeds te laat bij dit soort van oefening. Dan kun je alleen nog maar mondeling zeggen wat de leerling moet doen en het model 'binnenpraten'.
De 'nieuwe' manier:
Tegenwoordig is de technologie gevorderd en de meeste zenders beschikken nu over een leraar/leerling fiche. Zowel de leraar als de leerling gebruiken hun eigen zender en deze zijn verbonden met een kabel. De leraar kan nu kanaal per kanaal beslissen of hij of de leerling dit controleert en zelfs met verschillende uitslagen werken. Dit alles wordt geleid door een schakelaar op de leraarzender en indien deze omgezet wordt heeft de leerling controle over het toestel. Indien er zich iets onverwachts voordoet, schakelt de leraar weer om en heeft hij volledig controle. Dit heeft verschillende voordelen: het toestel moet niet meer zo hoog vliegen om een veiligheidsmarge te behouden dus de reacties van het toestel zijn beter zichtbaar. Bovendien kan de leraar langer wachten om de leerling zelf correcties te laten uitvoeren en de landingsapproach is veel veiliger. Dit geeft de leerling ook een veiliger gevoel om te weten dat er een vangnet is want leren vliegen is al stressvol genoeg....
De brevetten:
Binnen Royal Broken Wings is er een brevetsysteem in het leven geroepen in samenwerking met de VML dat toelaat om alle piloten tot op een zeker niveau te tillen. Dit is zeker niet enorm moeilijk maar komt eerder overeen met het niveau dat toelaat om op een veilige manier je toestel te laten vliegen en aan te tonen dat je ten allen tijden de controle over je toestel bezit.
Het A brevet bevat een aantal verplichte oefeningen:
" Opstijgen
" Platte bocht
" Twee loopings
" Platte acht
" Tolvlucht
" Doorstart
" Gesimuleerde noodlanding
" Landing
Al deze figuren zijn perfect uitvoerbaar met een trainingstoestel en sluiten je trainingsperiode af.